Voedingslexicon
Melkzuur : stof aangemaakt door het organisme op basis van koolhydraten wanneer een inspanning zonder zuurstof wordt geleverd.Anaeroob : toestand zonder zuurstof.
ATP : adenosine trifosfaat, het substraat dat cellen in staat stelt energie om te zetten in spieroefening.
Koolhydraten : voedingsstoffen die 50 à 55 % van de dagelijkse energie moeten aanbrengen bij een evenwichtige voeding. Er is een onderscheid tussen voedingsmiddelen rijk aan meervoudige koolhydraten (zetmeelproducten) en voedingsmiddelen rijk aan enkelvoudige koolhydraten (suiker, fruit, zoetigheden…). In een evenwichtige voeding moet dagelijks de meeste plaats zijn voor voedingsmiddelen rijk aan meervoudige koolhydraten.
Glycogeen : manier waarop het organisme de koolhydraten opslaat (in de spieren en de lever).
Hypoglycemie : daling van de concentratie aan glucose in het bloed onder de normale waarden.
Isotonisch : met dezelfde concentratie aan koolhydraten, mineralen, enz. als het bloed.
Vetstoffen : voedingsstoffen die 30 à 35 % van de dagelijkse energie moeten aanleveren bij een evenwichtige voeding. De voedingsmiddelen die de meeste vetstoffen bevatten zijn vetten (olie, boter, margarine…), maar er zijn ook vetstoffen te vinden in sommige andere voedingsproducten (charcuterie, vet vlees, vette kaas, gefrituurde bereidingen, gebakjes…).
Eiwitten : voedingsmiddelen die 10 à 15 % van de dagelijkse energie moeten aanbrengen bij een evenwichtige voeding. Eiwitten zijn essentiële bestanddelen in het organisme, meer bepaald te vinden in de spieren. Voedingsmiddelen die de meeste eiwitten bevatten, zijn vlees en gelijkwaardig (vis, eieren…), melkproducten, peulvruchten en soja.